Sex and the kiddies

Lees (en herken) op deze pagina de typische én vaak komische situaties die de combinatie man, kinderen, werk én schrijfster kan opleveren ....

Hangouderen.

Afgelopen week keek ik met mijn man naar het journaal toen we bijna de slappe lach kregen bij de wonderbaarlijke berichtgeving. 'Bredene weert hangouderen' luidde de reportage. We keken elkaar eens grijzend aan. Mijn man lachte hoofdschuddend. 'Hangouderen,' sprak hij. 'Zijn ze nu niet een beetje aan het overdrijven?' Ook ik moest gniffelen, zelfs toen er verteld werd dat deze ouderen in Bredene voor erge overlast zorgden door drankmisbruik.

Het was een beeld dat niet te rijmen viel met het beeld dat ik over ouderen met me meedroeg. Maar een tweede voorval niet lang daarna, maakte me duidelijk dat ook jongeren tegenwoordig het begrip ouderen anders bekijken.

Afgelopen week liep ik samen met mijn oudste dochter kuierend over het Bilzerse marktplein, toen opeens twee oudjes dichterbij kwamen, met de fiets aan de hand. Een van hen deed teken dat hij iets aan mij wilde vragen. Ik knikte hen al vriendelijk toe en stapte zonder aarzeling hulpvaardig op hen af, totdat mijn dochter me plots angstvallig aan mijn arm trok en fluisterde :'Pas op, mama!'

Niet begrijpend staarde ik haar aan, negeerde haar opmerking en richtte me tot de oudjes. Die vroegen beleefd de weg naar het Bilzerse station. Terwijl ik mijn uitleg deed, viel het me op dat mijn dochter zich bewust wat afzijdig hield. De oudjes bedankten en vervolgden daarna hun weg.

'Wat was er nou?' vroeg ik uitermate verbaasd. Mijn dochter schudde een beetje geërgerd haar hoofd. 'Je moet tegenwoordig opletten, mama. Voor hetzelfde geld is het een van die Benidorm Bastards.' Ik moest twee keer knipperen met mijn ogen toen ik begreep wat ze bedoelde.

Ik keek de oudjes verbaasd na. De onschuld zelve. Hoe kon het toch dat op korte tijd hun naam door het slijk gehaald werd? Dat hun reputatie zelfs bij jongeren twijfelachtig werd.

Werden dit nu de nieuwe begrippen wanneer we over ouderen spraken? Niet meer senioren, of ouden van dagen, of actieve 60-plussers. Ik schudde mijn hoofd en mompelde de woorden stilletjes voor me uit. 'Hangouderen' en 'Benidorm Bastards'.

Ik glimlachte eens triestig en voelde mezelf plots een heel stuk ouder. Als zelfs al de ouden van dagen niet meer te vertrouwen waren, waar ging het dan heen met deze wereld ...

Laag hangende broeken.

U heeft het vast wel al opgemerkt. Er heerst al een hele tijd een nieuwe rage bij de jeugd. En dan meer bepaald de mannelijke helft ervan. Als lerares op een school met overheersend jongens kan ik er dan ook echt niet naast kijken... de laag hangende broeken! U weet vast wat ik bedoel. Jongens die hun broek niet netjes vast gegespt hebben in hun taille of in de buurt daarvan maar liefst ergens halverwege het zitvlak laten hangen of bij sommigen zelfs net eronder. Als leerkracht heb ik al heel wat inkijk gehad de jongste tijd in de dessins van het moderne jongensondergoed. Ik zou bladzijden kunnen vullen in het omschrijven van ruitjes- , bolletjes – en streepjespatronen. Ook over de vele flashy kleurtjes valt veel te vertellen. Zoiets prikkelt mijn fantasie natuurlijk. In die mate dat ik graag een grapje met deze 'laagvliegers' wilde uithalen...

Op een blauwe maandag kon ik het niet meer laten. 'Jongens,' zei ik ernstig en overtuigend. 'Ik moet jullie echt waarschuwen. Jullie hebben er toch al van gehoord dat zulke laag hangende broeken niet goed zijn voor jullie klokkenspel.' De jongens keken verbaasd op. Wat durfde Feliers daar zo midden in een les Nederlands hardop uitspreken? Had ze het werkelijk over hun klokkenspel? Hun aandacht was gewekt. 'Wat daar dan mis mee is, mevrouw?' vroegen ze belangstellend. Ik keek hen eens allemaal ernstig aan voor ik mijn woorden hernam. 'Jongens toch,' sprak ik gewichtig. 'Een heel aantal jaren geleden werden de jeansbroeken heel strak gedragen. Zo strak dat al die kleine kikkervisjes quasi nauwelijks nog konden bewegen en een hele generatie kinderloos dreigde te worden. Zulke strakke broeken waren funest voor dat arme klokkenspel.' De jongens knikten vol begrip. Ja inderdaad, daar hadden ze hun ouders wel eens iets over horen vertellen, maar wat had dat dan nu te maken met hun laag hangende broeken. Ik schudde mistroostig het hoofd. 'Maar jongens toch, denk eens na. Als die broeken zo laag hangen is 'daar beneden' geen ondersteuning meer. En hoe langer dat dat duurt hoe erger dat dat wordt. Straks is jullie hele handeltje helemaal uitgeleurd. En ook dat is niet goed. Hebben jullie er wel eens bij stil gestaan hoe dat handeltje er binnen een paar jaar gaat uitzien als jullie die broeken zo laag blijven dragen?' Een doodse stilte hing in de klas. Je zag zo dat iedereen de woorden en wat er achter school tot zich liet doordringen. Sommigen keken eens stiekem onder hun bank, waarschijnlijk om te checken hoe laag hun handeltje daar nu ergens hing. Ik gooide er nog wat bezorgde opmerkingen over heen. Dat ze toch zeker maar aan hun toekomst moesten denken. Dat kinderen krijgen later met zo'n uitgezakte boel misschien ook wel voor problemen kon zorgen. Er werd niet veel op gereageerd. Mijn woorden hadden een schok bij hen teweeg gebracht. Zoveel was duidelijk.

Daar liet ik het dan bij. Ik dook terug in mijn boek Nederlands dat voor me op mijn bureau lag en legde quasi onverschillig uit hoe ze een oefening moesten aanpakken. Tegelijk loerde ik onder mijn wimpers door de klas in. Ik zag een leerling schuifelen op zijn stoel, subtiel manoeuvreerde hij zijn broek naar hogere regionen. Iets verder zag ik een andere jongen ook schuifelen en zelfs een derde kronkelde eigenaardig op zijn stoel. Een glimlach gleed over mijn gezicht. Het praatje had gewerkt.

Toen het belsignaal het einde van de les aankondigde en de jongens een na een hun tafeltjes verlieten, zag ik hoe sommigen verwoed hun broek naar hogere sferen brachten. Ze deden het subtiel en met een vleugje onverschilligheid. Maar ik wist wel beter. Mannen en hun klokkenspel... het was en blijft een gevoelige materie ...

Te veel informatie ...

Een tijdje geleden reed ik mijn twee dochters heen en weer naar hun hobby's. We hadden het gezellig in de auto en keuvelden over vanalles en nog wat. Mijn dertienjarige oudste zat naast me, mijn negenjarige jongste vanachter. Op een bepaald ogenblik houden we halt aan een rood licht toen mijn jongste opeens een vraag stelde die zomaar uit het niets leek op te duiken.

'Mama, wat is vogelen?'

Ik klemde mijn stuur wat steviger vast, knipperde met mijn ogen en liet tot me doordringen wat ze net gevraagd had. Mijn oudste naast me schoot in een stiekeme lach en keek me nieuwsgierig aan hoe ik me hier uit zo draaien. Ik speurde wanhopig mijn geheugen af met de vraag hoe ze plots aan dit woord kwam. Mijn man gebruikte het wel eens als camouflage om te zeggen wat hij wou, maar zelfs dan lette hij er steevast op dat de kids niet in de buurt waren. Hoe kwam een negenjarige nu al aan zo'n woord? Maar tegelijk besefte ik dat ik haar een antwoord moest geven en mezelf trouw blijvend moest dit een eerlijk antwoord zijn.

'Vogelen?' herhaalde ik ernstig. 'Ja, schatje, eigenlijk gebruiken sommige mensen dat woord in de plaats van seksen.' Mijn oudste naast me deed bijna in haar broek van het lachen. Ik keek haar vertwijfeld aan. Ik moest toch eerlijk zijn, niet?

Een paar tellen bleef het stil achter in de auto. Toen weerklonk een verbaasd stemmetje.

'Maar waarom staat dat woord dan daar op dat bord?'

Ik keek achterom en volgde haar vinger naar een groot reclamebord dat aan een huis bevestigd was. In grote, zeer grote letters stond daar Vögele. Ik sloeg mijn hand voor mijn hoofd en sloot mijn ogen. Daar stond inderdaad 'Vögele' – of zoals de jongste, die nog nooit van een trema gehoord had las 'Vogelen' – een kledingzaak die sinds enige tijd in onze buurt een nieuwe winkel geopend had. De oudste naast me kwam niet meer bij van het lachen. Zij had immers wél op tijd in de gaten hoe de jongste aan dat woord kwam.

Met hand en tand heb ik de jongste toen uitgelegd dat je dat woord anders uitsprak én dat het ook wel degelijk een andere betekenis had. Maar het kwaad was al geschied. Er was geen weg meer terug. Met schaamrode wangen heb ik mijn weg vervolgd beseffend hoe je soms meer informatie geeft dan eigenlijk de bedoeling was ...

Hard to get

Mijn jongste dochter en ik zitten ’s avonds samen aan tafel te eten. De oudste is naar een vriendinnetje, mijn man is nog niet terug van zijn werk. Het is gezellig zo met de jongste aan tafel. Zo krijgt zij ook eens de kans iets te vertellen zonder overstemd te worden door de oudste.
‘Mama,’ zegt ze plots blij , ‘Ik heb nog goed nieuws. Ik zit nu langs Demi in de klas.’ Ik reageer enthousiast. Demi is haar beste vriendinnetje en ik ben dan ook oprecht blij dat ze eindelijk op de valreep nog langs haar terecht is gekomen. Ik vraag haar of ze zelf mogen kiezen of dat de juffrouw bepaalt wie waar zit.

‘Eigenlijk een beetje alletwee,’ zegt ze terwijl ze opnieuw een hap in haar mond steekt. ‘De juf gaf Demi een plaats en toen vroeg ze wie er nog niet naast gezeten heeft.’
‘En jij was de enige?’ vraag ik. ‘Neen, neen,’ schudt ze, ‘Er waren er nog meer. Maar ik ben slim geweest,’ zegt ze betekenisvol. Ik kijk haar afwachtend aan.
‘Als je gekozen wil worden, moet je niet té enthousiast doen, hoor.’ Ze kijkt me aan of ik wel goed oplet wat ze zegt. Ik knik.
‘Je moet dan je vinger opsteken maar niet hard ‘juffrouw, juffrouw’ roepen want anders denkt de juf dat je er graag naast gaat zitten en misschien wel fel gaat zitten babbelen en dan neemt ze iemand anders. Dus gewoon vinger opsteken en rustig afwachten.’
Ik grinnik hardop om zoveel wijsheid van dat kleine grut naast me. Ik herken iets van het playing hard to getprincipe, alleen had ik nooit gedacht dat ze dat ideeëngoed al op achtjarige leeftijd zou kennen laat staan ook nog gebruiken. Net als ik hoofdschuddend bedenk dat kinderen soms toch wel te slim voor hun leeftijd worden, gaat zij onverdroten verder.
‘Maar soms moet je wel enthousiast doen hoor, maar dan op het juiste moment.’ Ik kijk haar vragend aan en wacht op een vervolg.
‘Als de juf het antwoord vraagt op bijvoorbeeld een rekenoefening moet je net wel ‘juf juf’ roepen en je hand stevig opsteken.’ Terwijl ze het zegt, strekt ze haar arm helemaal uit en toont overtuigend hoe het dan wél moet.
‘Ah ja?’ zeg ik grinnikend.
‘Ja, want dan lijkt het net alsof je het antwoord weet maar de juf duidt dan meestal iemand aan die zijn vinger niet opsteekt en die het dus niet weet.’ Ik kijk mijn dochter stomverbaasd aan. Komen die ideeën echt uit dat kleine hoofdje?
‘En werkt dat ook?’ vraag ik terwijl ik nog steeds niet van mijn verbazing bekomen ben.
‘Ja hoor,’ knikt ze overtuigend. ‘Het werkt echt. Ik doe dat vaak.’ Ze knikt stevig en knabbelt glimlachend op haar vlees.
Ik blijf even verstomd naar haar kijken. Even weet ik niet wat zeggen. En dan besef ik het opeens. Dit is ‘hard to get’ ten voeten uit. Vooral als je het antwoord écht niet weet …

Afleiding

Met de examens van juni voor de deur loopt iedereen er hier altijd een beetje gestrest bij. Het hele gezinsleven wordt afgestemd op de regelmaat van studeren, pauzeren, eten. Mijn oudste dochter bulkt van de goede voornemens. Ze gaat écht leren dit keer want de examens van het zesde leerjaar worden door de meester én hele klas zeer aux sérieus genomen. Dus installeert ze zichzelf op mijn bureau, legt haar studieplanning stevig naast haar, zorgt voor een natje en droogje in de buurt en voor de rest mag iedereen opkrassen. Mama incluis, want ook al is het mijn bureau en heb ook ik stapeltjes examens die verbeterd moeten worden, ik moet weg. Ik leid namelijk af. Door mijn gezucht om foute antwoorden, door mijn gejuich wanneer een zwakke leerling het goed heeft gedaan, door mijn gegrinnik om examenbloopers… Mijn dochter is duidelijk. Ze kan mij er echt niet bij hebben. Concentratie is nodig en ik help daar echt niet bij. De meester op school heeft immers duidelijk gemaakt dat elke vorm van afleiding uit de buurt ‘verwijderd’ moet worden.
Dus druip ik schuldbewust af en besluit me lekker in het zonnetje op onze binnenkoer te installeren. Net zoals mijn dochter zorg ik dat ik alles bij de hand heb. Drinken in de buurt, sigaretten bij me, examenexemplaren van alle klassen voor me… Voor ik van start ga besluit ik nog even naar boven te lopen om mijn bikinistukje aan te doen zodat ik lekker een beetje kan bruinen en dit onder het motto het aangename aan het nuttige te koppelen.
Ik zit een halfuurtje te bakken en te braden -terwijl het ook lekker opschiet met het verbeteren- als mijn liefste met zijn jeep opgereden komt. Ik glimlach blij want ik vind het altijd leuk als hij zo onverwacht even komt aanwaaien. Het zijn wel steeds blitzbezoekjes want mijn liefste is ondernemer en heeft het steeds druk druk druk. Ik ben het dus gewoon dat hij de ene minuut binnenwandelt en de andere weer weg is.
Als hij mij zo naarstig in het zonnetje ziet werken, glijdt een glimlach over zijn gezicht en vraagt ‘of het niet te vermoeiend is?’ zo in de zon. Ik grinnik en besef dat mijn werk inderdaad peanuts is in vergelijking met wat hij zoal op een dag verzet. Hij blijft even bij me staan voor een babbeltje. Zijn blik draagt goedkeuring weg. ‘Of ik zin heb in een cappuccino?’ vraagt hij. Ik knik en sta gelijk op om die in de keuken te maken. Als ik tussen mijn werkzaamheden even opkijk zie ik dat mijn liefste zijn blik ergens ter hoogte van mijn bikini hangt. Ik grinnik en schud mijn hoofd. Ik weet wat er in zijn hoofd omgaat maar ik zwijg wijselijk en geniet van zijn aandacht. Even later zitten we buiten aan de tafel van onze cappuccino te genieten. Of moet ik zeggen : ik geniet van mijn cappuccino, hij van het uitzicht. Zijn blinkende oogjes verraden de bouwvakker in hem. Ook ik krijg kriebels in mijn buik als hij zo naar me zit te kijken maar nog steeds doe ik alsof mijn neus bloedt.
Tien minuten later zit ik weer achter mijn verbeterwerk. Voor mijn liefste vertrekt komt hij me even gedag zeggen. Hij kan het niet laten zijn handen plagerig over mijn lichaam te laten gaan. Ik giechel als een schoolmeisje en probeer mijn kreetjes in de kiem te smoren beseffend dat onze oudste dochter in de buurt is én dat ik haar niet mag afleiden…
Ik zucht opgelucht wanneer ik mijn liefste met de jeep van onze inrit zie afrijden en nu eindelijk serieus kan verder werken. Groot is mijn verbazing wanneer na nog geen twee minuten diezelfde jeep terug oprijdt en hij opnieuw uitstapt. Hoofdschuddend loopt hij me voorbij. ‘Ik kan zo niet nadenken!’ reageert hij grinnikend. ‘Jij leidt me af.’ Perplex kijk ik hem aan. Het is nog niet genoeg dat mijn oudste dochter me de kamer uitstuurt omdat ik haar uit haar concentratie haal… dan zit ik hier onschuldig te genieten van de zon, is dat blijkbaar ook al ‘afleiding’. Dat zeg ik hem ook ‘dat ik blijkbaar overal voor afleiding’ zorg. Mijn liefste reageert hoofdschuddend. ‘Neen, niet afleiding.’ Hij grinnikt met pretoogjes: ‘Vérleiding.’ Even kijk ik hem sprakeloos aan maar dan besef ik meteen dat deze vorm van afleiding niét verwijderd dient te worden. Neen, dit keer mag ik blijven…!

Pré-dementiesyndroom

Hectisch. Als er één woord een doorsnee dag in mijn leven moet omschrijven is het dat woord wel. En dat hectische leidt weer tot andere symptomen die misschien nog wel pijnlijker zijn om aan jezelf toe te geven. Mijn man noemt het een beetje smalend pré-dementiesyndroom en eerlijk gezegd, als ik het objectief bekijk herken ook ik de eerste tekenen.
Je kent dat wel; je loopt naar een plaats in huis met de bedoeling er iets te gaan halen. Wanneer je in die kamer bent, sta je plots stil en dringt het tot je door dat je eigenlijk niet meer weet wat je er kwam doen. Natuurlijk wil je het voor jezelf niet toegeven dat je het vergeten bent en hardnekkig speur je je geheugen af naar wat je ook al weer nodig had. Vaak helpt het niets en moet je terug naar de oorspronkelijke ruimte om te hopen dat daar je frank terug valt.
Of je gaat even naar de buurtwinkel met de bedoeling een zak aardappelen te halen. Je neemt enkele extraatjes mee want kijk, de suiker was ook bijna op en je kan beter nu maar wat margarine meenemen voordat het vlootje helemaal leeg is en je het weer vergeet natuurlijk. Ondertussen keuvel je fijn met Diane van de winkel over koetjes en kalfjes, over het weer en de kinderen en tevreden begeef je je naar huis. Wanneer je daar dan al je winkelwaar uitlaadt dringt opeens het besef door dat datgene waar je eigenlijk voor ging én dat je ook nog eens dringend nodig had - de aardappelen - er niet bij zijn. Vergeten dus. Je kan jezelf natuurlijk voor het hoofd slaan want je beseft dat het wéér zo laat is en dat er maar een ding opzit. Het is me al meerdere malen overkomen dat ik binnen het kwartier terug was bij Diane met rode wangen want ook Diane begint de symptomen zo’n beetje te kennen.
Maar het ergste vind ik nog de ochtenden. Wanneer je tegen de tijd een gevecht levert en het klaar speelt om op het laatste nippertje met kinderen en hun bijbehorende boekentassen de auto in te vliegen en hun snel snel bij de voorschoolse kinderopvang af te zetten. Net als je denkt dat je het gehaald hebt en verder rijdt naar je werk, schrikt er opeens een gedachte wakker tussen al die andere gedachten. Heb ik de koffiezet uitgedaan? En dat niet alleen. Heb ik mijn stijltang niet laten branden? Hardnekkig spoel ik mijn gedane handelingen af en ik dénk dat ik alles uitgedaan heb, maar heel zeker weet ik het niet. Misschien verwar ik mijn handelingen van vandaag met diezelfde handelingen van gisteren. Het zweet breekt me uit. Ik zie mijn stijltang duidelijk liggen in de badkamer. De wastafel waar ze op ligt, staat dicht bij de gordijnen. Ik zie de gordijnen in brand schieten en daarna het hele huis… Ik ga op mijn rem staan en terwijl ik de auto draai kijk ik op mijn klokje in de auto. Ik heb nog precies een kwartier. Misschien red ik het nog heen en terug.
Wanneer ik de straat inrij zie ik gelukkig nog geen rookwolken boven ons huis uitstijgen. Gehaast rij ik onze inrit op en wanneer ik de keuken instorm kijk ik meteen ook naar de koffiezet. Oef, die is uit. Dat is één. Ik loop verder richting badkamer. Wanneer ik binnenkom zie ik de stekker van de stijltang netjes ernaast liggen. Ik heradem. Voor alle zekerheid leg ik de stijltang aan de andere kant van de wastafel, verder weg van de gordijnen.
Wanneer ik terug naar school rij hou ik angstvallig het klokje in de gaten en foeter op mezelf. Ik mag niet te laat komen. Er staat een hele rij jongeren buiten op me te wachten. En ook onze directeur staat ’s morgens op de speelplaats. Wat moet ik hem vertellen als ik te laat ben? Dat het pre-dementiesyndroom zich al heeft ingezet? Ik zie zijn meewarige blik al en bedenk dat ik het niet durf te zeggen dat zoiets flauws de reden is van mijn te laat komen Ik probeer alvast een smoesje te bedenken als de schrik me opnieuw om het hart slaat.
Heb ik mijn eigen boekentas wel in het koffer gedaan? Hardnekkig spoel ik mijn gedane handelingen af en ik dénk dat ik ze wel heb meegenomen, maar helaas, héél zeker weet ik het niet…

Delicate vragen

Er zijn zo van die vragen die gesteld worden waar je je beter voor hoedt een eerlijk antwoord op te geven. Vooral als er kinderen in de buurt zijn.
Onze jongste dochter kon er anders wat van toen ze zo een jaar of vier was. Op gegeven tijden wist ze je steeds alert te houden. “Mama is die mevrouw zwanger?” zei ze dan net hard genoeg wanneer we in de frituur stonden aan te schuiven en er een nogal ‘grote’ mevrouw voor ons stond. Of “Is dat ook een opa?” bij de bakker terwijl ze naar een kalende meneer wees die nauwelijks papa kon zijn. Ondertussen stond ik stijf te glimlachen en probeerde de opmerking te negeren en mijn rood wordende wangen te verdoezelen.
Ondertussen is ze zeven geworden en kan ze nog steeds van die priemende vragen stellen. Zelfs thuis overvalt ze me er mee. Ik probeer dan een eerlijk antwoord te geven maar ook een correct, beseffend dat de informatie die ik haar hier meegeef ook op school of op andere plaatsen terug kan opduiken.
Van de week had ze een nieuwe voor me. Eentje waar ik even zoet mee was. “Mama, ben je verliefd op papa?’ vroeg ze me terwijl ik net gedreven aardappelen stond te schillen. Ik staakte mijn handelingen even en keek haar opgetogen aan. Dit was geen moeilijke vraag. “Natuurlijk schatje, ik ben nog héél verliefd op papa.” Even later: “Had je vroeger ook een ander vriendje dan papa?” Mmm, die was al moeilijker want hoe leg je een uk van zeven uit dat er buiten papa nog liefjes geweest zijn? Ik wik en weeg mijn antwoord en besluit dan eerlijk te zijn. Ik ben immers niet zo vaak verliefd geweest vroeger en de enige naam die me eerlijk in mijn gedachten schiet is David. Dat antwoord ik dan ook. “David?” echoot ze en ik zie dat ze zoekt naar een David die zij ook kent. “Toen was mama zestien, schatje. Dat is al héél lang geleden!” Ik sus haar met de waarheid want het lijkt inderdaad in een vorig leven gebeurd te zijn.
“En had jij ook een vriendje op het eerste leerjaar?” Ze kijkt me met grote ogen aan. Ik schud onmiddellijk mijn hoofd. “Neen hoor,” stel ik haar gerust, “ik had ook geen vriendje op het eerste leerjaar.” Ik moet gelukkig de waarheid niet omzeilen. Ik had toen écht geen vriendje en was er zelfs niet geïnteresseerd in. Ze kijkt me even stil aan en werkt dan verder aan haar tekening. Ik vermoed dat haar vragenmoment voorbij is en glimlach bij de gedachte aan David én wat voor een kalverliefde dat was.
Wanneer we ’s avonds met het hele gezin aan tafel zitten en rustig eten komt mijn jongste weer onverwachts uit de hoek. “Papa, op wie ben jij verliefd?” Even blijft het stil. Wanneer ik papa verwonderd aankijk omdat het antwoord uitblijft, glimlacht hij breed. Ook mijn oudste dochter stopt met eten en kijkt papa aan. “Op mama natuurlijk,” geeft zij in zijn plaats antwoord. Papa glimlacht nog steeds breed en kijkt mij met pretlichtjes in de ogen aan. Ik voel iets kriebelen in mijn buik en word nieuwsgierig. Dit was niet zijn antwoord. Dat zie ik zo.
“Mmm,” zegt hij dan, “een beetje ja. Maar ik ben nog meer verliefd op Phaedra!” Mijn jongste kijkt fronsend. Er zit een Phaedra bij haar zus in de klas. “Neen, neen,” zegt papa, “Phaedra Hoste, een hele mooie mevrouw van tv.” Triomfantelijk kijkt hij mij aan. Ik glimlach bevestigend. Inderdaad! Papa heeft al jaren een boon voor Phaedra Hoste! En al jaren moet ik daarmee leven. Maar dat is geen probleem. Ik gun papa zijn dromen.
Mijn jongste kijkt van papa naar mij en duwt een stukje vlees in haar mond. Al kauwend blijft ze me aankijken. Ik zie een volgende vraag branden en wacht af. Ik kén mijn kleine meid.
“Mama,” zegt ze dan met heel veel wijsheid in haar stemmetje, “op welke meneer van tv ben jij verliefd?” Papa naast me verslikt zich in een aardappel. Ik glimlach veelbetekenend en trek mijn wenkbrauwen de hoogte in. Ik wil antwoord geven maar bedenk me net op tijd. Er zijn zo van die vragen die gesteld worden waar je je beter voor hoedt een eerlijk antwoord op te geven. Vooral als er wat grotere kinderen in de buurt zijn.

Muizenhorror

Ik ben een vrouw die haar mannetje wel kan staan. Dat moet ook wel. Mijn liefste heeft een eigen bedrijf en heeft daar heel erg zijn handen mee vol. Die zelfredzaamheid van mij, die is er geleidelijk aan gekomen. Al voor dat we trouwden had mijn liefste me proberen voor te bereiden op het feit dat zijn tijd moeilijk verdeeld kon worden en dat ik dus naast mijn werk ook het huishouden erbij moest nemen. Voor mij klonk dat niet echt als een probleem. Ik was opgegroeid met een rollenpatroon en zag daar ook geen kwaad in, zelfs niet als ik daarnaast nog fulltime ging werken. Ook toen de oudste geboren werd en vier jaar later de jongste vond ik dit nog steeds niet onoverkomelijk. Het werd een stuk drukker in mijn leven, dat wel. Ik leerde doseren en regelen, vaak met het zweet op het voorhoofd, maar het moet gezegd als er zich een noodtoestand voordeed, sprong mijn liefste spontaan of op aanvraag van mij wel even bij.
Die zelfstandigheid van mij is iets wat ik door de jaren heen meer en meer ben gaan waarderen. Ik regel zelf mijn agenda. Werk, huishouden, kinderen, ontspanning … ik doe het wel…
Daarnaast heb ik ook letterlijk geleerd mijn mannetje te staan. Een technisch wonder in huis heb ik niet nodig. Wanneer IK namelijk nieuwe apparatuur aanschaf, hetzij een dvd-speler, een digitale camera of wat dan dan ook, dan ben ik diegene ook die zich ontpopt tot de expert ter zake. Als het huis geverfd moet worden, ben ik diegene die de kleurtjes kiest én op de muren aanbrengt. Iets kapot in huis, ik regel het wel. Papieren van de bank, de belasting of whatever… komt in orde…
Ik was er bijna van overtuigd dat ik, als het echt ooit zou moeten, ik mij wel zou redden. Echt wel.
Verleden week was ik ’s avonds rond een uur of acht nog druk bezig. De dag erna zou de ophaling gebeuren van de ‘pmd-zak’ en was ik in huis druk op zoek naar lege plastieken flessen. Ik loop vanuit de keuken over onze binnenkoer naar ons tuinhuis, groet onze konijnenfamilie die daar in een hok zit en stap stevig door naar de achterkant van het tuinhuis om daar de lege flessen in de zak te deponeren. Wanneer ik mij omdraai en terug naar buiten wil lopen, zie ik plots voor het konijnenhok, in het licht van de buitenlamp dat naar binnenvalt iets raars liggen. Van op een afstandje bekijk ik wat ik zie maar het rare bolletje dat daar ligt komt me niet echt bekend voor. Voorzichtig kijkend doe ik een paar stappen dichterbij. Het valt me op dat het bolletje een beetje pluizig lijkt. Ik doe nog een paar stappen dichterbij en schrik! Opeens besef ik dat daar op de grond een opgerold muisje ligt. Even ben ik in de war. Wat ligt die daar zo raar? Waarom loopt hij niet weg van me? Heel voorzichtig duw ik er met de punt van mijn laars eens tegen. Langzaam rolt het muisje een beetje verder en terwijl ik nog steeds verbaasd sta te kijken, zie ik dat het zich langzaam begint te ‘ontkreukelen’. Opeens dringt er zich een vreselijk besef aan me op. Het besef dat ik bij het binnenkomen per ongeluk mijn zware laars op dat arme muisje heb gezet. Ik doe een stap achteruit, wapper van afschuw met mijn handen in de lucht en maak een geluid dat de konijnen raar doet opkijken. In het besef dat ik de boosdoener ben van dit kwaad, wil ik daar zo snel mogelijk weg. Het muisje echter ligt in de deuropening en ik moet er langs. Ik grabbel al mijn moed bij elkaar, wapper nogmaals met mijn handen en duw een tweede keer tegen het muisje. Langzaam rolt hij het tuinhuis uit onder onze buxushaag in. Zo snel als ik kan loop ik naar binnen op zoek naar mijn liefste. Die staat niets vermoedend onder de douche. Wanneer ik hem in horten en stoten het hele verhaal vertel, blijft het even stil onder het stromende water.
‘Waar is dat muisje nu?’ vraagt hij dan. ‘Onder de buxushaag,’ zeg ik half hysterisch, ‘het ligt daar half dood.’ ‘Neem een schop en sla het dan dood,’ zegt mijn liefste doodleuk. Even staat mijn verstand stil. ‘Dat durf ik niet,’ antwoord ik benepen. Ik voel mij met de tel slechter worden. Ik word er niet goed van als ik denk aan dat arme beestje dat daar ligt af te zien en weet niet wat te doen.
‘Ik zal dadelijk wel eens gaan kijken,’ zegt mijn liefste dan geruststellend, ‘ik ben zo klaar.’ Ik knik opgelucht. Net wanneer ik terug naar de keuken wil lopen, roept mijn liefste me terug. ‘Nog één vraagje,’ zegt hij gemoedelijk, ‘die laarzen waarmee je op dat muisje getrapt hebt…’ ‘Ja? Wat is daarmee?’ vraag ik verbaasd. ‘Heb je die nog aan?’ Ik kan op dat moment geen antwoord meer geven. Bij het uitspreken van die woorden kijk ik naar de laarzen die ik inderdaad nog aan heb. Ik krijg het gevoel al plakt de helft van dat muisje onder mijn voeten, met bloed en andere toestanden… Zo snel als ik kan loop ik naar het berghok en trap mijn laarzen daar in allerijl uit zonder ze verder nog te bekijken.
En terwijl ik even later op mijn sokken vanuit de keuken op een veilige afstand naar buiten kijk om te zien hoe de toestand van het muisje is, besef ik dat mijn zelfredzaamheid niet zo groot is als ik soms wel zou willen…

© Anja Feliers, 2009 - Design: Tac'tik Maastricht
 

Login